- schikken
- {{schikken}}{{/term}}I 〈overgankelijk werkwoord〉1 [rangschikken] arrange ⇒ order2 [maatregelen treffen] arrange3 [regelen door middel van een compromis] settle♦voorbeelden:1 de boeken in volgorde schikken • put the books in order2 kunt u het zo schikken dat ik vrijdag kan komen? • could you arrange for me to come on Friday?II 〈wederkerend werkwoord; zich schikken〉1 [zich plaatsen op doelmatige wijze] settle (oneself)2 [berusten, zich conformeren] go along with ⇒ 〈berusten〉 reconcile/resign oneself (to)♦voorbeelden:2 zich zo goed mogelijk (in iets) schikken • make the best of itzich in het onvermijdelijke/zijn lot schikken • resign oneself to the inevitable/one's fatezich naar iets/iemand schikken • go along with something/someonezich naar de omstandigheden schikken • adapt oneself to the circumstancesIII 〈onovergankelijk werkwoord〉1 [gelegen komen] suit ⇒ be convenient2 [houding aannemen] move♦voorbeelden:1 zodra het u schikt • at earliest convenienceschikt twee uur jou? • will two o'clock be convenient for you?2 schik eens wat naar links • move a little to the left, will you?
Van Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels. 2015.